Durf maakt rijden leuker

Het stuurwiel, de ruitenwissers, de elektrische startmotor: elke auto heeft ze. Doodgewone dingen, maar we danken ze wel aan slimme vernieuwers die bijna een eeuw geleden al druk in de weer waren met slimme concepten om autorijden makkelijker en leuker te maken.

Begin vorige eeuw regende het ontwerpen en concepten. Van die tijd dateert bijvoorbeeld de elektrisch aangedreven auto. Rond 1906 beleefde die zijn doorbraak. Woods was bijvoorbeeld één van de Amerikaanse merken die op stroom rijdende auto’s een topsnelheid van meer dan 100 km/uur liet halen, met een actieradius van 160 kilometer. Het bedieningsgemak ten opzichte van de stinkende en storingsgevoelige benzineauto’s maakte ze populair, vooral voor ritjes in de stad. Daaraan kwam abrupt een einde toen de Amerikaan Charles Kettering voor Cadillac op basis van die elektromotor de eerste elektrische starter introduceerde. Opeens was het niet meer nodig om met veel kracht een onwillige benzinemotor aan te slingeren. Diezelfde Kettering vond ook de elektrische ontsteking uit met vonkende bougies. De betrouwbaarheid van de benzinemotor ging daardoor met sprongen vooruit.

Nieuwe vondsten waarvan we vandaag de dag nog altijd profijt hebben, waren begin vorige eeuw schering en inslag. Zoals die van het stuurwiel, dat de stuurhendel van toen verving. Het Amerikaanse Packard kreeg in 1898 patent op een stuurwiel. Rond 1903 verwierf een vrouw, Mary Anderson uit Alabama, een patent op de ruitenwisser. Louis Renault staat te boek als de uitvinder van de trommelrem en het Nederlandse Spyker was dik een eeuw terug de eerste producent die alle vier wielen voorzag van remmen.

Stonden de eerste jaren van de auto vooral in het teken van nieuwe technische concepten, eind jaren twintig kreeg een vernieuwingsgolf in design voet aan de grond. Uiterst gestroomlijnde ontwerpen verschenen er, zoals de Chrysler Airflow uit 1935. Die werd in productie genomen, maar veel zijn er niet verkocht. De grote massa vond de auto te futuristisch. Zelfs twintig jaar later was men er nog niet aan toe: de Disco Volante (Vliegende Schotel) van Alfa Romeo uit 1952 kreeg evenmin de handen op elkaar. Maar nieuwe lijnen en afwijkende vormen zetten wel een beweging in gang. De vloeiende, gladde lijnen van die vroege concepten schoten bijvoorbeeld eind jaren zeventig, begin jaren tachtig wel wortel.

De Mini van Alec Issigonis is een voorbeeld van een in productie genomen conceptauto die wél uitgroeide tot een succes. De compacte voorwielaandrijver met de motor voorin, was klein, toch ruim en gezegend met een prima wegligging. Een recenter voorbeeld van een gewaagde en geslaagde conceptauto is de Ford Ka, die in de jaren negentig vooral bedoeld was als opwarmer voor een nieuwe designstijl: New Edge. De jonge ontwerper Fritz Mayhew liet zich voor de Ka inspireren door de grappige ronde vormen van een flesje mineraalwater van Evian, en hij vormde het dashboard naar het beeld van een gettoblaster.