Onbekend maakt onbemind

18 mei 2019

Dit spreekwoord is zeker van toepassing op verzekeraars. Want als verzekeraars ergens een hekel aan hebben is het ‘t verzekeren van risico’s die anders zijn dan voorgesteld en/of afgesproken. Dit kan bewust of onbewust zijn gedaan door de verzekering- nemer. Bewust door bijvoorbeeld niet op te geven dat de meest regelmatige bestuurder van een auto eigenlijk een zoon of dochter is. Hierdoor ontvangt een verzekeraar veel minder premie dan eigenlijk bij het risico hoort. Of onbewust, door goedbedoeld een eigen auto ter beschikking te stellen aan een in financiële nood verkerend familielid of kennis. In dit geval profiteert deze persoon van de door een ander opgebouwde bonuskorting of van een regiokorting. Of kan zo’n persoon toch verzekerd rondrijden, terwijl hij zelf geen verzekering kon afsluiten omdat hij op een zwarte lijst staat vanwege teveel schades, betalingsproblemen enzovoorts.

Op de houder van een kenteken rust de verplichting om de auto tegen wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren. Alleen is een verzekeraar niet verplicht een risico te verzekeren waarbij de hoofdbestuurder iemand anders is dan de eigenaar van de auto c.q. de verzekeringnemer. Het is daarom goed om te weten dat u bij het aangaan van een verzekeringsovereenkomst een (wettelijke) mededelingsplicht hebt. Deze plicht wordt ingevuld door artikel 7:928 lid 1 BW en luidt (hou u vast): “De verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoorde te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen afsluiten, afhangt of kan afhangen.” Bent u daar nog?

De omvang van de mededelingsplicht wordt bepaald door een drietal ‘vereisten’: het kennisvereiste, het kenbaarheidsvereiste en het relevantievereiste. Het kennisvereiste houdt in dat de mededelingsplicht alleen bestaat ten aanzien van feiten die de verzekeringnemer kent of behoort te kennen. Bij de vraag welke feiten de verzekeringnemer behoorde te kennen moet worden uitgegaan van een ‘behoorlijke en zorgvuldige’ verzekeringnemer.

Het relevantievereiste houdt in dat de feiten relevant moeten zijn voor de ‘redelijk handelende verzekeraar’. Verzekeraars hanteren vóór het afsluiten van de verzekering bijna altijd een vragenlijst. Is dat het geval, dan kan de verzekeraar zich er later niet op beroepen dat vragen niet zijn beantwoord of dat feiten waarnaar niet is gevraagd niet zijn medegedeeld. Dit is alleen anders indien de verzekeringnemer een of meer feiten waar niet specifiek naar is gevraagd heeft verzwegen, met het doel de verzekeraar te misleiden. Dit laatste zal door de verzekeraar moeten worden aangetoond en deze bewijsdrempel ligt hoog.

Een verzwegen feit komt meestal aan het licht als er een schade wordt geclaimd. De verzekeraar dient in de regel gewoon uit te keren wanneer het verzwegen feit niet van invloed was op de schade-oorzaak. Indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering in het geheel niet zou hebben afgesloten, hoeft hij ook niet uit te keren. Ook nu rust de bewijslast bij de verzekeraar. Ook tijdens de looptijd van de verzekering heeft u volgens de polisvoorwaarden de plicht om bepaalde wijzigingen te melden aan de verzekeraar. Bijvoorbeeld bij wijziging van de kentekenhouder, de hoofdbestuurder of het adres. Ook kan een schade-uitkering worden geweigerd wanneer het kenteken niet op uw naam (of van uw partner woonachtig op hetzelfde adres) staat, behalve als u dit heeft gemeld en het door de verzekeraar is geaccepteerd.

Kees de Regt
Manager Verzekeringen

Deze artikelen zijn misschien ook interessant voor u